The Murdoch Method
Ride like a natural
Peter Hermse  © 2010
Waarom is ‘je lang maken’ zo belangrijk?

Het lang maken van de rug creëert stabiliteit in de wervelkolom. Met een stabiele wervelkolom kan het paard zichzelf oprichten, terwijl hij zich voortbeweegt vanuit de achterhand. Het bekken van het paard kantelt hierbij, waardoor de achterbenen ver onder het lichaam kunnen treden. Wanneer de achterbenen afzetten vanaf een plek ver onder het lichaam van het paard, creëren ze een voorwaarts/opwaartse kracht en “draagt” het paard zichzelf. Op de foto van mijn paard Andy zie je dat hij zijn rug omhoog gebracht heeft. De rechterkant van zijn bekken komt omlaag en naar voren terwijl zijn rechterachterbeen ver onder zijn lichaam treedt. Dit been ondersteunt hem terwijl het buitenachterbeen hem naar voren duwt. Kijk naar de oprichting van de voorhand: hij heeft zijn schoft omhoog gebracht en maakt zijn hals lang vanuit de schouders. Verder helpen zijn buikspieren om het middelste stuk van zijn lichaam de ondersteunen. Andy heeft zijn hele bovenlijn lang gemaakt van zijn nek tot zijn staart en dit resulteert in een energieke, “bergopwaartse” galop.

Als het paard zijn rug omlaag houdt, kantelt zijn bekken de andere kant op en krijgt hij een holle rug. In dat geval zet het paard af als het achterbeen al onder zijn lichaam vandaan is en beweegt hij zich “stuwend” voort. De achterbenen creëren hierbij een voorwaarts/neerwaartse kracht en maken dat het paard zichzelf op de voorhand duwt. De rugspieren worden korter in plaats van langer en het paard kan de voorhand niet langer oprichten. Als de ruiter dit niet tegengaat door zichzelf lang te maken, verergert het zelfs doordat de rug onder het ruitergewicht nog verder naar beneden zakt.

Het zijn niet de buik- en rugspieren die ervoor zorgen dat het paard zijn rug omhoog houdt terwijl hij beweegt. De gang van het paard creëert de beweging in zijn rug en deze beweging wordt vervolgens opgevangen en gedempt door zijn buik- en rugspieren, zodat zijn torso stabieler wordt. Met andere woorden, de rugspieren beperken de opwaartse beweging en de buikspieren beperken de neerwaartse beweging van de rug van het paard. Vandaar dat met het aanspannen van de buik- en rugspieren de beweging opgevangen wordt, en niet gecreëerd.

In stap is er geen zweefmoment, dat een opwaartse golfbeweging in de torso van het paard creëert.
Daarom is de stap de moeilijkste gang om een holle rug bij het paard te corrigeren: het vereist goede training om dit te verbeteren. Bij een paard met een verkorte bovenlijn (holle rug) zie je vaak een telgang-achtige stap. Om dit op te lossen moet de ruiter het paard aanmoedigen ‘lengte te zoeken’ in de wervelkolom, door de rug weer omhoog te brengen. Daarvoor moet de ruiter o.a. eerst haar eigen rug lang maken.

De draf heeft een zweefmoment, waardoor een golfbeweging in de rug van het paard ontstaat. Als het paard zijn rug omhoog houdt, krijg je een ronde draf, die gemakkelijk is uit te zitten. Maar als het paard zijn rug omlaag houdt en zijn rugspieren aanspant, wordt de draf kort, houterig en moeilijk uit te zitten. Door een krachtige (maar geen snelle) beweging te vragen in draf kan het paard zijn rug makkelijker omhoog houden.

In galop brengt het paard altijd zijn torso omhoog en daarom is galop de gang waarin het paard het beste zijn rug lang kan maken. Als het lang maken van de rug echter om één of andere reden verhinderd of bemoeilijkt wordt, is de galop de gang waarin dit het duidelijkst zichtbaar is. Slecht passende zadels, een slechte houding en zit van de ruiter, pijnlijke spieren en/of hoefproblemen kunnen allemaal bijdragen aan galopperen met een verkorte- in plaats van verlengde bovenlijn.


Kijk nog eens naar de stevig aangespannen lijn van Andy’s buik op de foto. In deze fase van de galop, waarbij het diagonale benenpaar bijna landt, zijn de neerwaarts werkende krachten op de romp het grootst. Op dat moment moeten zijn buikspieren zijn romp opvangen. Als de rugspieren tegelijk zouden aanspannen in plaats van verlengen, lukt dat niet en zou zijn romp naar beneden zakken, waardoor zijn hals zou verkorten en hij zijn achterhand niet meer zou kunnen onderbrengen.